Irak's eerste vlaggen (1958-1963): Republiek Irak

In deel 1 van de serie Iraakse vlaggen bespraken we de eerste Iraakse vlag die werd gebruikt tussen 1920 en 1958. De tweede vlag van Irak werd geïntroduceerd na de 14 juli revolutie in 1958.

Op 14 juli 1958 vond er in Irak een coup plaats waarmee de Hasjimitische monarchie (1921-1958) werd beëindigd. De revolutie werd gemarkeerd door de executie van de laatste Iraakse koning Faisal II en de leden van zijn koninklijk huis. Diezelfde dag werd de Republiek Irak (الجمهورية العراقية) uitgeroepen met Abdul Karim Qasim als premier. Met het nieuwe leiderschap ging dan ook een nieuwe vlag gepaard, waarin de steunpilaren van het nieuwe regime werden vertolkt: binnenlandse sociale rechtvaardigheid en eenheid.

Vlag van de Iraakse Republiek (1958-1963)

De gele zon symboliseert het Kurdische volk met daarbuiten de bloem die de Iraakse Assyrische minderheid eert. De kleuren zwart, wit, groen en rood zijn de kleuren van het Pan-Arabisme, afgeleid van het gedicht van de Iraakse Safi al-Din al Hilli:

Wit zijn onze daden, zwart onze veldslagen, groen onze velden, en rood onze zwaarden.

Deze ideologie was verweven in de persoonlijkheid van Qasim, die met zijn eigen gemengde achtergrond werd gezien als een belichaming van het vermogen van Irak om haar verschillende etnische en religieuze groepen tot een verenigd lichaam te vormen. In zijn historische speech (1959) argumenteerde Qasim dat hoewel de Iraakse natie politiek verdeeld is, alle belanghebbenden werkten naar het belang van het volk en het welzijn van het land, zijn speech sloot hij af met de aandrang om “..Met zijn allen de nationale eenheid in ons thuisland te consolideren”.

De revolutie was niet enkel een vervanging van de heersende macht, maar een uitkomst van een lange voortdurende strijd van het volk tegen een onderdrukkend en verdelend regime dat niet handelde volgens Iraaks binnenlands belang. Doordat het Hasjimitische nationalisme definitief werd afgebroken, moesten er nieuwe inspanningen worden gedaan om een nationale identiteit te genereren die paste bij de lokale, Arabische en derde wereldse agenda’s. De staat raakte intensief betrokken bij culturele productie, waardoor professoren die door de afgelopen koninklijke monarchie als radicaal werden beschouwd, hun werk weer konden hervatten.

Kunstenaars en schrijvers die voorheen als opstandig werden beschouwd, werden door de staat aangesteld in verschillende functies, van hoge ministeriële posten tot kleine functies in de vakbonden van de regering. Het sentiment van wattaniya (thuisland) werd verder gepromoot middels de krant ‘The New Iraq’. Hierin werd het belang van het volk (الشعب) die als sociale groep gevormd zijn door geografie, culturele tradities en een Mesopotamische en islamitische geschiedenis onderstreept. Ook de radio en TV propageerde diezelfde nieuwe wataniyya-lijn. Naast Umm-Kulthum, Abd al-Halim en de Egyptische films werden ook Iraakse maqam-zangers zoals Nadhim al-Ghazali en theaterschrijvers zoals Yusuf al-‘Ani gepromoot. Daarnaast werden ook radioprogramma’s en kranten die Kurdish als voertaal hanteerden genormaliseerd.

De Iraakse magam zanger Nadhem al-Ghazali tijdens een TV uitzending.

Op deze manier werd er toenemende aandacht gegeven aan het samenbrengen van de diverse Iraakse identiteit en de moderne Iraakse geschiedenis (wataniyya), en werd er minder aandacht geschonken aan de rol van het pan-Arabisme (qawmiyya) in de Iraakse geschiedenis. Dit duurde voort tot 8 februari 1963, waarop Qasim op wrede wijze ten val werd gebracht na een staatsgreep onder leiding van de Ba’ath partij. Tot de dag van vandaag is 14 juli een nationale feestdag, die ons terugbrengt naar het tijdperk van Abdul Karim Qasim en zijn belofte voor een stabiel, verenigd en rechtvaardig thuisland.